Fiscaal nieuws

Voorkom belastingheffing in box 3 en kies voor een open fonds voor gemene rekening. Actie voor 1 januari 2018

13-09-2017

De oprichting van een open fonds voor gemene rekening (OFGR) kan ervoor zorgen dat u per 1 januari 2018 uw privévermogen uit box 3 kunt houden, wat een aanzienlijke besparing van vermogensrendementsheffing kan opleveren.  U bespaart bij een vermogen boven de circa € 1 miljoen, daarmee 1,61% aan ‘vermogensbelasting’. Voor 2016 lag dat percentage nog op 1,2%. Hetzelfde kunt u middels een BV bereiken, alleen geeft een BV minder flexibiliteit en is de privacy minder goed beschermd. Bovendien blijft een BV altijd vennootschapsbelastingplichtig, terwijl een OFGR meestal eenvoudig kan worden omgezet in een vrijgestelde beleggingsinstelling die niet vennootschapsbelastingplichtig is. Overweeg daarom om box 3-heffing te vermijden middels een OFGR in plaats van een BV!

De case
De case is als volgt. Man (65 jaar) en vrouw (60 jaar) zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. In het verleden hebben zij de aandelen in een gezamenlijke BV verkocht voor € 2 miljoen. Na betaling van de aanmerkelijk belangclaim hebben ze daar € 1,5 miljoen aan overgehouden, hetgeen ze ‘veilig’ belegd hebben in spaardeposito’s en obligaties. Daarnaast hebben ze nog circa € 1 miljoen privévermogen (belast tegen 0,8% c.q. 1,36% in 2018). Aangezien ze de risico’s zo beperkt mogelijk willen houden is het verwachte rendement daarop in relatie tot de waarde van de onderliggende stukken laag, circa 1,5%. Als ze verder geen actie ondernemen, dan zijn ze over 2018 hierover 1,61% rendementsheffing verschuldigd, ofwel € 24.150 (1,61% van € 1,5 miljoen). Het netto-rendement is dan 0,11% negatief, ofwel negatief € 1.650 (€ 22.500 -/- € 24.150). Door de beleggingen voor 1 januari a.s. onder te brengen in een OFGR kan dit worden voorkomen.

Wat is een open fonds voor gemene rekening (OFGR)?
Een (open) fonds voor gemene rekening is wettelijk gezien niet gedefinieerd. Het kan worden omschreven als een overeenkomst gericht op het aantrekken van gelden/activa van de participanten ter collectieve belegging, waarbij die participanten naar rato van hun inleg in de opbrengst van die beleggingen delen. Voldoende is als er twee participanten zijn. De Belastingdient is van mening dat een participant maximaal 90% van de participaties mag houden, doch dat is uiterst discutabel. Er is dus geen sprake van rechtspersoonlijkheid. Om buiten de box 3-heffing te blijven is van belang dat er verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid worden gecreëerd. Alleen dan ontstaat een OFGR die onderworpen is aan vennootschapsbelastingheffing. Uit juridische en bancaire overwegingen wordt vaak gekozen om mede een stichting op te richten die optreedt als beheerder en bewaarder voor het OFGR.

Belastingplicht OFGR
Dus alleen als de bewijzen van deelgerechtigdheid verhandelbaar zijn wordt het OFGR vennootschapsbelastingplichtig (art. 2 lid 3 Wet Vpb). De bewijzen van deelgerechtigdheid worden als verhandelbaar aangemerkt indien voor vervreemding niet de toestemming van alle deelgerechtigden is vereist, met dien verstande dat ingeval vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf of binnen een bepaalde familiekring de bewijzen niet als verhandelbaar worden aangemerkt.

Voordeel belastingplichtige OFGR
Duidelijk is dat een belastingplichtige OFGR met name interessant is voor spaarsaldi/beleggingen met een laag verwacht rendement en een overeenkomstig laag risicoprofiel. Als de voorkeur wordt gegeven aan beleggingen met een hoger verwacht rendement, dan zal het fiscaal gezien eerder gunstiger zijn om die beleggingen in box 3 te houden.

Uitgaande van voornoemde case zou in het OFGR een rendement worden behaald van 1,5% (minus kosten), ofwel € 22.500 (1,5% van € 1,5 miljoen). Hierover is 20% vennootschapsbelasting verschuldigd, ofwel € 4.500. Hierdoor blijft (na aftrek van kosten) als winst in het OFGR over € 18.000 (€ 22.500 -/- € 4.500). Als op een bepaald moment die winst naar privé wordt overgeheveld is daarover 25% aanmerkelijk belangheffing (AB) verschuldigd ofwel € 4.500, zodat netto daarvan in privé € 13.500 (€ 18.000 minus € 4.500) overblijft. Met dit soort lage rendementen, pakt dus de OFGR een stuk voordeliger uit dan beleggen in box 3!

Vaak wordt ervoor gekozen om deze winst in het OFGR te houden, zodat de 25%-heffing kan worden uitgesteld. Mocht het nodig zijn om liquiditeiten aan het OFGR te onttrekken voor privé-uitgaven, dan kan dat meestal belastingvrij. Er dient dan sprake te zijn van een teruggaaf van wat op de bewijzen van deelgerechtigdheid is gestort (conform art. 4.13 lid 1c Wet IB). Zou er sprake zijn van een BV dan worden voor een belastingvrije teruggaaf meer eisen gesteld: er moet dan sprake zijn van een terugbetaling van wat op aandelen is gestort, waarvoor verplicht een notaris moet worden ingeschakeld.

Publicatieplicht en UBO-register
Bij een BV is sprake van een publicatieplicht bij de Kamer van Koophandel. Jaarlijks zal in ieder geval een balans moeten worden gedeponeerd, waarbij het eigen vermogen zichtbaar is. Tevens moeten alle bestuurders worden ingeschreven in het Handelsregister dat publiekelijk toegankelijk is. Een enig aandeelhouder is ook zichtbaar op het uittreksel van de KvK. Deze verplichtingen kunnen als een inbreuk op de privacy worden ervaren en worden met een OFGR voorkomen.

UBO staat voor Ultimate Beneficial owner, ofwel de uiteindelijke gerechtigde, wat vaak de aandeelhouder is. In vervolg op een Europese Richtlijn is het Ministerie van Financiën bezig een centraal UBO-register in te richten. Duidelijk is dat dit register ook voor BV’s gaat gelden. Verder is nog onduidelijk hoe het register wordt vormgegeven, in hoeverre het openbaar toegankelijk wordt en of bijvoorbeeld minderheidsaandeelhouders daarin worden opgenomen.

Het is nog een vraagteken of het OFGR in het UBO-register wordt opgenomen. In een brief van de Minister van Financiën van 26 april 2016 wordt vermeld dat het fonds voor gemene rekening wordt overwogen als entiteit voor het UBO-register. Als uiteindelijk het OFGR in het UBO-register wordt opgenomen, is het nog maar de vraag in hoeverre daarmee inzichtelijk wordt hoe groot het belegd vermogen is en waaruit dat vermogen bestaat. 

Het OFGR als holding voor een werk-BV
Het OFGR kan desgewenst ook als ‘holding’ fungeren voor een werk-BV waarin een onderneming wordt gedreven. Net als een ‘holding-BV’ kan het OFGR de deelnemingsvrijstelling ex art. 13 Wet Vpb claimen voor dividenden en vervreemdingswinsten die betrekking hebben op de werk-BV. Er zijn fiscale faciliteiten voor aandelenfusie en juridische splitsing om deze structuur fiscaal geruisloos te realiseren. In de praktijk verleent de Belastingdienst hieraan niet altijd medewerking, hoewel er wettelijk gezien meestal wel recht op deze faciliteiten bestaat. 

Het OFGR als vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)
In tegenstelling tot een BV kan een OFGR (in een later stadium) eenvoudig worden omgezet in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) die geheel vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Wel gelden daarvoor aanvullende vereisten. Zo mag de grootste participant niet meer dan 90% van de bewijzen van deelgerechtigdheid hebben en mag alleen worden belegd in toegestane beleggingsinstrumenten, waaronder banktegoeden (doch geen onroerende zaken). De participanten moeten de mogelijkheid hebben om hun deelnemingsbewijzen aan te bieden aan het OFGR (open-end-karakter). Een nadeel is dat de VBI geen dividendbelasting of bronbelasting mag verrekenen en dat zij geen recht heeft op de deelnemingsvrijstelling (speelt bij een belang van minimaal 5% in een werk-BV). Daarnaast is in de inkomstenbelasting in box 2 (bij een belang van minimaal 5%) jaarlijks 25% aanmerkelijk belangheffing verschuldigd over 5,5% (was in 2016 nog 4%) van de waarde van de participaties. Deze jaarlijkse heffing maakt de VBI fiscaal gezien minder interessant. Een VBI kan fiscaal iets gunstiger uitvallen dan box 3 bij beleggingen met een relatief hoog verwacht rendement. In de praktijk is vaak sprake van een kasgeld-BV die eerst wordt omgezet in een NV en vervolgens als VBI gaat fungeren, waardoor een directe afrekening van AB wordt voorkomen. Hetzelfde kan ook spelen bij een kasgeld-OFGR.

Actie ondernemen ter oprichting van een OFGR?
Geadviseerd wordt om pas tegen het einde van het jaar 2017 definitief te beslissen om het privévermogen in box 3 al dan niet onder te brengen in een OFGR (of een BV). Daar zijn 2 redenen voor. Reden 1: Tot 1 januari a.s. is er geen peildatum voor box 3-heffing, zodat een eerdere onderbrenging in een OFGR geen fiscaal voordeel oplevert, maar eerder een nadeel. Reden 2: Mogelijk wordt later dit jaar duidelijk of het OFGR als entiteit in het UBO-register wordt opgenomen en in hoeverre het beleggingsvermogen dan zichtbaar wordt voor anderen.

Het OFGR heeft duidelijk fiscale voordelen ten opzichte van beleggen in box 3 bij lage verwachte rendementen. Voornoemde case is daar een goed voorbeeld van. Verder is de privacy thans beter gewaarborgd dan bij een BV. Het is goed om tegen het einde van het jaar een dergelijke case nogmaals te evalueren en een definitieve keuze te maken. Wordt gekozen voor het OFGR (of een BV), doe dat dan ruim voor 1 januari a.s., want de banken zullen ook actief hierbij betrokken (willen) zijn, hetgeen de nodige tijd zal vergen!

Terug naar overzicht
Terug naar home