Fiscaal nieuws

Verhuizen naar een zorginstelling: voorkom een forse inkomstenbelastingheffing in box 3 over de woningwaarde en een hoge eigen WLZ-bijdrage voor zorg

2-01-2017

De kans is groot dat een hulpbehoevend of hoogbejaard familielid binnen enkele jaren moet verhuizen naar een zorginstelling. De eigen woning komt dan leeg te staan en wordt te koop gezet. Tijdelijke verhuur is een interessante mogelijkheid om nog wat huurinkomsten te verwerven. Vaak wordt echter niet nagedacht over de fiscale consequenties daarvan. Een forse inkomstenbelastingheffing in box 3 en een hogere eigen WLZ-bijdrage voor zorg kan het onbedoelde gevolg daarvan zijn. Een goede fiscale planning kan veel financieel leed besparen. Ter illustratie beschrijf ik een voorbeeld die ‘uit het leven is gegrepen’.

Probleemstelling
Stel, uw moeder is eigenaar van een eigen woning. Ze kan echter niet meer voor zichzelf zorgen en overweegt te verhuizen naar een WLZ-zorginstelling (WLZ ziet op de Wet Langdurige Zorg, voorheen de AWBZ ). Haar woning komt daardoor leeg te staan en wordt te koop gezet. Zij overweegt de woning tijdelijk te verhuren om zo wat extra inkomsten te genereren. Echter wat is fiscaal verstandig om te doen en wordt de eigen WLZ-bijdrage dan niet te hoog? Ooit komt ze te overlijden en het is niet de bedoeling dat de hoogte van de erfenis onnodig wordt aangetast.

Aandachtspunten probleemstelling
Opgemerkt zij dat in eerste instantie van belang is wat de wensen van u en uw moeder zijn. Is het verstandig dat uw moeder een volmacht aan u afgeeft als ze niet meer voor haarzelf kan beslissen? Wellicht denkt u aan het opstellen van een levenstestament bij een notaris. Het testament van uw eerder overleden vader of de boedelverdeling daarna kan daarbij een rol van betekenis spelen. Ook in juridisch opzicht is het dus goed om te weten wat de stand van zaken is.

Hierna ga ik met name in op de volgende aandachtspunten die spelen bij verhuizing naar een zorginstelling:
A.     Jaarlijks verschuldigde inkomstenbelasting door moeder;
B.     Jaarlijks verschuldigde WLZ-bijdrage (voorheen AWBZ-bijdrage) door moeder;
C.     Verschuldigde schenkbelasting, indien moeder besluit om bij leven (fiscaal-voordelige)
         schenkingen te gaan doen en
D.     Verschuldigde erfbelasting bij overlijden van moeder.

Ad A. Jaarlijks verschuldigde inkomstenbelasting door moeder

De eigen woning van moeder wordt, zolang zij daarin woont, als hoofdverblijf belast in box 1. De eigenwoningrente (hypotheekrente) is daarop aftrekbaar. Per saldo leidt dat niet tot een bijtelling ofwel tot een geringe aftrekpost als de eigenwoningrente beperkt is. Voor de inkomstenbelasting pakt dat dus meestal gunstig uit.

Na verhuizing van moeder naar een zorginstelling kan in het jaar van verhuizing nog gebruik worden gemaakt van de eigenwoningregeling in box 1 + in de drie kalenderjaren daarna (de 3-jaarsregeling). Aan deze -meestal gunstige- fiscale regeling zijn wel voorwaarden verbonden, te weten:
1.     De woning moet leeg staan (het aanstellen van een kraakwacht die in de woning verblijft is wel
         toegestaan) EN
2.     Aannemelijk moet worden gemaakt dat de woning is bestemd voor de verkoop (door
         bijvoorbeeld het inschakelen van een verkoopmakelaar).

Op het moment dat de woning tijdelijk (op basis van de Leegstandswet) wordt verhuurd, gaat de woning over van box 1 naar box 3.  Dat is vaak ongunstig als in de verhuurperiode een peildatum valt (1 januari). In box 3 wordt dan belast de waarde van de woning minus de (hypotheek)schuld die daar tegenover staat.

Speciale regeling

Een speciale regeling geldt bij verhuizing naar een verpleeg- of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom. Gedurende 2 jaar (24 maanden) blijft de eigen woningregeling nog van toepassing, ondanks eventuele tijdelijke verhuur. De eigenwoningrente blijft in die 2 jaar aftrekbaar, doch de netto verhuuropbrengst wordt dan wel (voor 70%) belast; daarnaast blijft het eigenwoningforfait van toepassing. Naar mijn mening kan in plaats van bovengenoemde 3-jaarsregeling ook worden gekozen voor toepassing van deze speciale 2-jaarsregeling als dat voordeliger uitpakt.

Voorbeeld 1 (jaar 2017/2018). 3-jaarsregeling

Stel, moeder heeft een eigen woning ter waarde van € 400.000 met een daar tegenoverstaande (hypotheek)schuld van € 200.000, waarover zij jaarlijks 2% rente betaalt. Die rente is voor haar aftrekbaar tegen een IB-tarief van stel 40%. Het ‘eigenwoninginkomen’ in box 1 bedraagt dan het eigenwoningforfait ad € 3.000 (0,75% x € 400.000) minus € 4.000 (€ 200.000 x 2%) is -/- € 1.000. Daarmee zou ze per saldo dus € 400 (40% van € 1.000) inkomstenbelasting kunnen terugkrijgen in box 1. Deze regeling zou nog 3 kalenderjaren kunnen gelden na het jaar van haar verhuizing. Na verhuizing is het eigenwoningforfait niet meer van toepassing, waardoor het jaarlijkse ‘eigenwoninginkomen’ uitkomt op -/- € 4.000. Daartegenover staat dan nog 3 kalenderjaren lang een inkomstenbelastingteruggaaf van € 1.600 (40% van € 4.000).

Stel nu dat ze in december 2017 de woning tijdelijk gaat verhuren tot en met mei 2018 voor € 1.500 netto per maand. Op peildatum 1 januari 2018 is dan de waarde van de woning minus de (hypotheek)schuld belast in box 3, zijnde € 200.000 (€ 400.000 -/- € 200.000). Uitgaande van een belastingtarief van stel 1,38% (30% van 4,6%, cijfers 2017) leidt dat tot een bijbetaling van € 2.760 over het belastingjaar 2018. De ontvangen huurinkomsten ad € 9.000 (€ 1.500 x 6) zijn dan wel belastingvrij.

Voorbeeld 2 (2017/2018), speciale 2-jaarsregeling
Stel dat moeder in voorbeeld 1 een beroep kan doen op de 2-jaarsregeling die geldt bij verhuizing naar een verpleeg- of verzorgingshuis. Dat leidt tot een ‘eigenwoninginkomen’ van € 6.300 huurinkomsten (70% van € 9.000) + € 3.000 eigenwoningforfait -/- € 4.000 aan eigenwoningrente is € 5.300. De inkomstenbelasting daarover bedraagt € 2.120 (40% van € 5.300). Dit bedrag aan bijbetaling is weliswaar iets lager dan in het voorbeeld hiervoor, doch op deze regeling kan slechts 24 maanden een beroep worden gedaan.

Conclusie voorbeeld 1 en 2
De keuze om al dan niet tijdelijk te verhuren zal daarom mede afhangen van de vraag of de huurontvangsten groter zijn dan het inkomstenbelastingnadeel. Daarnaast zal een mogelijke latere verhoging van de WLZ-bijdrage vanwege extra box 3-vermogen een rol spelen bij uw keuze, waarover hierna meer.

Ad B. Jaarlijks verschuldigde WLZ-bijdrage (voorheen AWBZ) door moeder

Als na verhuizing naar een zorginstelling de woning van moeder op enig moment overgaat van box 1 naar box 3 dan is zij na twee jaar een hogere eigen bijdrage WLZ verschuldigd. Dit komt, omdat haar bijdrageplichtig inkomen dan hoger wordt. Uitgangspunt voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen is het verzamelinkomen van twee jaar terug minus een aantal aftrekposten, waaronder de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarbovenop komt dan nog een bijtelpost van 8% over het vermogen in box 3.

Voorbeeld 3 (jaar 2020), hogere WLZ-bijdrage vanwege extra vermogen in box 3

Stel, moeder heeft per december 2017 haar woning tijdelijk verhuurd dan wel verkocht. Er komt per peildatum 1 januari 2018 € 200.000 extra vermogen in box 3 (in de vorm van een woning, dan wel liquiditeiten). Dit extra vermogen heeft pas invloed op de berekening van haar bijdrageplichtig inkomen 2 jaar later, dus vanaf 2020.

Haar bijdrageplichtig inkomen wordt in 2020 dan verhoogd met jaarlijks maximaal circa €
25.200 (€ 200.000 x 12,6%) -/- € 2.800 aan verschuldigde inkomstenbelasting = € 22.400. De eigen bijdrage WLZ wordt daarmee maximaal circa € 1.866 per maand hoger (€ 22.400/12). De totale maximum eigen bijdrage blijft overigens € 2.313 per maand (is bedrag 2017).

De hogere eigen bijdrage in 2020 kan worden voorkomen door gebruik te maken van bovengenoemde 2-jaarsregeling in de inkomstenbelasting die geldt bij verhuizing naar een verpleeg- of verzorgingshuis. Een hogere eigen bijdrage is dan, 2 jaar later, dus in 2022 wel weer aan de orde (behoudens wetswijzigingen).

Overige maatregelen
Om de WLZ-bijdrage beperkt te houden is het dus slim om het vermogen zo lang mogelijk buiten box 3 te houden, in ieder geval op peildatum 1 januari. Ik noem een aantal oplossingen ter overweging:

  1. Breng het box 3-vermogen onder in box 2 door de oprichting van een fonds voor gemene rekening die belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting of breng het vermogen onder in een ‘eigen’ BV (het vermogen in box 2 telt niet mee voor de berekening van de WLZ-bijdrage);
  2. Gebruik overtollige liquiditeiten in box 3 ter aflossing van de eigenwoningschuld (het box 3-vermogen neemt af, terwijl het box 1-inkomen niet of nauwelijks toeneemt);
  3. Beoordeel in hoeverre moeder de overbedelingsschulden i.v.m. vooroverlijden van vader vervroegd kan aflossen aan de kinderen (onder omstandigheden is dit mogelijk vrij van schenkingsrechten en gaat dit ten koste van het box 3-vermogen);
  4. Benut de vrijstellingen in box 3 voor voorwerpen van kunst en wetenschap, bos- en natuurterreinen, landgoederen, groene beleggingen of zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt (bijvoorbeeld auto’s en boten);
  5. Schenk vermogen in box 3 (herroepelijk) weg aan de kinderen, al dan niet in de vorm van een ‘papieren schenking’, waarover hierna meer.

 
Ad C. Verschuldigde schenkbelasting, indien moeder besluit om bij leven (fiscaal-voordelige) schenkingen te gaan doen

Moeder kan terughoudend zijn in het schenken van (grote) bedragen aan haar kinderen. Ze denkt het bijvoorbeeld nog zelf nodig te hebben of ze is bang dat het niet op een verantwoordelijke manier wordt besteed. Deze bezwaren kunnen eenvoudig worden ondervangen om zo toch haar box 3-vermogen te beperken (en daarmee de inkomstenbelastingheffing en de toekomstige WLZ-bijdrage).

De eerste mogelijkheid die veel wordt toegepast in de praktijk is de schenking onder schuldigerkenning. Moeder schenkt dan op papier een som geld en blijft dit geld tot aan haar dood schuldig aan haar kinderen in de vorm van een lening. In de tussentijd kan moeder met de lening doen wat ze wil. Pas bij haar overlijden kunnen de kinderen de lening opeisen. Dit wordt ook wel een ‘papieren schenking’ genoemd. Wel zitten er voorwaarden aan een dergelijk opzet. Zo moet de schuldigerkenning notarieel worden vastgelegd en moet er jaarlijks door moeder 6% rente over de lening worden betaald aan de kinderen.

Een (papieren) schenking is onderworpen aan schenkbelasting. Die bedraagt bij schenkingen aan kinderen 10% bij een belaste verkrijging tot € 122.269 per kalenderjaar en 20% voor zover de belaste verkrijging meer bedraagt dan € 122.269 per kalenderjaar (cijfers 2017). Er geldt een jaarlijkse vrijstelling  voor kinderen van € 5.320 (2017). Daarnaast geldt er eenmalig een verhoogde vrijstelling als het kind tussen de 18 en 40 jaar is; extra hoge vrijstellingen gelden als de schenking is bestemd voor de eigen woning of voor betaling van een studie van de kinderen, doch dan is een papieren schenking natuurlijk niet mogelijk.  

Voorbeeld 4 (jaar 2017), papieren schenking

Stel, moeder schenkt in december 2017 aan haar 2 kinderen ieder € 120.000 onder schuldig erkenning (papieren schenking). De kinderen kunnen alleen nog gebruik maken van de jaarlijkse vrijstelling (ad € 5.320 voor 2017). De verschuldigde schenkbelasting per kind bedraagt dan 10% van € 114.680 (€ 120.000 -/- € 5.320) = € 11.468.

Met deze schenking kan een hoge box 3-aanslag in de inkomstenbelasting bij moeder worden voorkomen. Echter bij de kinderen valt de daar tegenoverstaande vordering eveneens in box 3. Het is de vraag in hoeverre zij daar dan inkomstenbelasting over betalen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.
Het voordeel van deze ‘actie’ is dat moeder in 2020 mogelijk een hoge(re) WLZ-bijdrage kan voorkomen. Daarnaast wordt bij overlijden van moeder erfbelasting bespaard. De ‘papieren’ schulden aan de kinderen vormen dan immers een aftrekpost op de nalatenschap, waarover later meer.

Herroepelijke schenking
Daarnaast kan herroepelijk worden geschonken. Moeder kan de schenking terugdraaien als de begiftigde (kind) zich niet aan bepaalde regels houdt, bijvoorbeeld aanwending van de schenking zonder toestemming. De vraag is dan natuurlijk wel in hoeverre er nog iets van de schenking over is dat daadwerkelijk nog kan worden terugbetaald als moeder de schenking herroept. De schenkbelasting wordt in zo’n geval (gedeeltelijk) door de Belastingdienst geretourneerd.

Ad D. Verschuldigde erfbelasting bij overlijden van moeder

Bij overlijden van moeder zullen de kinderen vaak de enige erfgenamen zijn. De tarieven van de erfbelasting zijn gelijk aan die van de schenkbelasting. De vrijstelling voor kinderen bedraagt normaliter € 20.209 (2017).

Voorbeeld 5 (jaar 2018), overlijden

Stel, moeder overlijdt in december 2018 en haar 2 kinderen zijn de enige erfgenamen. Haar vermogen bedraagt € 600.000. Het maakt daarbij in principe niet uit of een deel van dit vermogen bestaat uit de eigen woning of niet. Op dit vermogen komt nog in mindering de ‘papieren schenkingen’ die in december 2017 zijn gedaan ad totaal € 240.000 (€ 120.000 per kind).

De erfenis bedraagt daarmee € 360.000 (€ 600.000 -/- € 240.000), per kind € 180.000 derhalve. De belaste verkrijging per kind bedraagt € 159.791 (€ 180.000 -/- € 20.209). Daarvan is € 122.269 belast tegen het 10%- en het meerdere ad € 37.522 tegen het 20%-tarief (cijfers 2017). Per kind is dan  € 23.483 aan erfbelasting verschuldigd.

De schenking in 2017 heeft i.c. een voordeel in de erfbelasting opgeleverd. Zonder die schenking zou hierover 20% erfbelasting zijn verschuldigd, terwijl de schenkbelasting ‘slechts’ 10% bedroeg. Het voordeel bedraagt derhalve per saldo circa 10% van € 120.000 = € 12.000 per kind.

Het voordeel voor de erfbelasting kan nog groter zijn wanneer gebruik is gemaakt van de schenkingsvrijstelling ad maximaal € 100.000 per kind, wanneer die schenking is bestemd voor de eigen woning van de kinderen (de zogenaamde jubelton).

Tot slot

In veel gevallen zal de ‘papieren schenking’ gunstig uitvallen in het geval moeder gaat verhuizen naar een zorginstelling. Hiermee kunnen 3 voordelen worden behaald:
1.     Een lager box 3-vermogen voor moeder en dus een lagere inkomstenbelastingheffing;
2.     Een lager bijdrageplichtig inkomen voor de WLZ (voorheen de AWBZ) en een daarmee gepaard gaande lagere WLZ-bijdrage (na 2 jaar);
3.     Een besparing van erfbelasting bij overlijden.

Daarbij hoeft een ‘papieren schenking’ niet bezwaarlijk te zijn voor moeder, aangezien zij deze schenking slechts schuldig blijft aan de kinderen. Zij kan tot haar overlijden vrijelijk daarover beschikken (afgezien van een jaarlijkse rentebetaling ad 6%).

Voor een adviesgesprek kunt u contact opnemen met mr. drs. Michiel Opgenoort van Opgenoort Belastingadvies te Leiden, tel. 06-41213782

Terug naar overzicht
Terug naar home